Geestelijken in Leuven leggen de civieke eed af, april 1797

Op 11 april is er op alle hoeken van de straten afgelezen dat alle geestelijken de civieke eed moeten afleggen binnen de acht dagen en op straf van 1000 pond boete of twee maanden gevangenis. Het is altijd maar op de priesters en de religie Ún op het geld dat zij mikken, want al wie zijn religie aankleeft, noemen zij fanatiekelingen en wie zijn religie veracht en verfoeit, noemen zij goede republikeinen. Droevige tijden! Wat zal er van ons land geworden. want als God ons niet helpt, wordt het hier een tweede Engeland [daarmee doelend op de Angelicaanse Kerk die volledig onderworpen is aan de kroon].

uit: Edward de Maesschalck, Overleven in revolutietijd. Een ooggetuige over het Franse Bewind [1792 - 1815]. Leuven, 2003. p. 79


terug