De Eed van de Kaatsbaan, 20 juni 1789

Bailly

Jean-Sylvain Bailly beschrijft de gebeurtenissen als volgt:

źDe gemoederen waren verhit; er waren er die tot de extreemste standpunten overhelden en die van mening waren dat de Vergadering haar zetel naar Parijs moest verplaatsen, en dat men onmiddellijk te voet en in zijn geheel moest vertrekken [nu kwam zij bijeen in Versailles]; alles zou verloren zijn geweest als men deze gewelddadige richting was ingeslagen. Misschien zou men een regiment cavalerie hebben opgesteld om de mars te beletten, maar men zou in elk geval met de koning hebben gebroken en dat zou de allergrootste gevolgen hebben gehad; zou men dit plan naar voren hebben gebracht, dan viel te vrezen dat men het in de opwinding van het ogenblik ook nog bij acclamatie en zonder voorafgaand beraad had aangenomen.

Een ander lid kwam met het denkbeeld van de eed en direct verhief zich een algemeen gejuich van goedkeuring; en na een betrekkelijk korte beraadslaging nam de Vergadering het volgende zo eenvoudige maar toch stoutmoedige besluit:

De nationale vergadering, overwegend dat zij geroepen is om de grondwet van het koninkrijk vast te leggen, het herstel van de openbare orde te bewerkstelligen en de ware beginselen van de monarchie te handhaven, stelt vast dat niets haar kan beletten om haar beraadslagingen voort te zetten, waar zij ook gedwongen zou zijn zich te vestigen, en ten slotte dat overal waar haar leden vergaderd zijn, daar ook de nationale vergadering is.

Besluit dat alle leden van de Vergadering onmiddellijk de plechtige eed zullen afleggen om nooit uiteen te gaan en zich overal waar de omstandigheden het zullen eisen bijeen te komen, totdat de grondwet van het koninkrijk op hechte grondslagen is gevestigd en bekrachtigd; en dat na de eedaflegging alle leden en ieder van hen afzonderlijk dit onwrikbare besluit zullen bevestigen door hun handtekening.'

Nadat dit besluit was genomen, verzocht ik in mijn kwaliteit van voorzitter de eed als eerste te mogen afleggen; de heren secretarissen vroegen hetzelfde. Toen wij deze plechtige eed hadden gezworen, legde de gehele Vergadering in mijn handen de eed af. De tekst ervan las ik met een zo luide en goed verstaanbare stem voor, dat mijn woorden door al het volk dat op straat stond, werden gehoord, en onmiddellijk daarop weerklonken, te midden van applaus, van de kant van de Vergadering en de menigte burgers die buiten stonden, de herhaalde en algemene kreten van ‘Leve de koning!' Zo had de Vergadering zich door haar vastberaden en dappere houding, ook toen zij de nodige voorzorgsmaatregelen tegen het ministerie nam en zich tegen het despotisme wapende, toch in hart en ziel met de koning verenigd en daarbij had zij zeker niet de bedoeling iets tegen zijn wettige gezag te ondernemen. Zij had er zelfs zorg voor gedragen om in haar verklaring op te nemen dat een van haar plichten was om de ware beginselen van de monarchie te handhaven, ten einde aan een ieder duidelijk te maken dat wat er ook aan vijandigs in haar maatregelen lag, dit alleen tegen het despotisme en niet tegen de monarchie was gericht.╗


terug