Brief van Schwartzkoppen aan graaf Münster, 22 december 1898

Maximilien von Schwartzkoppen

Berlijn, 22 December 1898.

Aan Uwe Excellentie

[...] Op de door mij gisteren ontvangen brief van de 19e d.d., antwoord ik zeer gehoorzaam aan Uwe excellentie het volgende:

Ik heb onmiddellijk na terugkeer uit Parijs mijn tegenwoordige superieuren over mijn positie tegenover de Dreyfus-affaire de volle waarheid gezegd. Mij is daarop door deze autoriteiten bevolen, niets in deze aangelegenheid te doen, zonder mij van tevoren met de betrokken autoriteiten te hebben verstaan. Ik heb herhaaldelijk gelegenheid gehad met Zijne Doorluchtigheid vorst Hohenlohe, met Zijne Excellentie de heer staatssecretaris von Bülow en met Zijne Excellentie de Heer chef van de Generale Staf over de bedoelde aangelegenheid te spreken. Steeds is mij bevolen, op gene wijze in te grijpen in het verloop van deze aangelegenheid, van welke zijde het verzoek daartoe ook komen mocht. Ik heb mij strikt aan dit bevel gehouden, zoals het mijn plicht was.

Reeds voordat ik de brief van Uwe Excellentie ontvangen had, waarin verzocht werd mede te delen wat ik van het petit bleu wist, was ik bij Excellentie von Bülow geweest, om hem te vragen of niet van mijn zijde iets gebeuren kon ten bate van de ongelukkige overste Picquart. Excellentie beval mij niets van dien aard te doen, aangezien een ingrijpen van mijn kant in de gang der instructie tegen Picquart hem zowel als mij slechts schaden kon.

Hierop achtte ik mij verplicht Uwe Excellentie het bekende telegrafische antwoord te zenden, dat ik in mijn brief, die niet met de koerier kon, trachtte op te helderen door uit te leggen, dat het mij verboden was enige bekentenis af te leggen, die invloed kon hebben op de gang der instructie.

Uwe Excellentie zal wel zo goed zijn, uit het voorgaande op te maken, dat ik zelf het gevoel heb gehad, in de kwestie-Picquart iets te moeten doen, dat ik dus niet verantwoordelijk gesteld kan worden, wanneer de betreffende veroordeeld was of wordt. De ongelukkige kapitein Dreyfus staat mij overigens als officier en kameraad even na als overste Picquart en voor de eerste is van onze zijde ook nooit iets gebeurd, om hem uit zijn treurige toestand te bevrijden, ook hier bestond een hoger staatsbelang, dat iedere inmenging verbood.

Wat nu het petit bleu betreft, ik heb er verscheidene aan Esterhazy geschreven, en het is daardoor zeer wel mogelijk, zelfs waarschijnlijk, dat het petit bleu in de stukken der instructie van mij afkomstig is!!! Bepaald verzekeren kan ik dit natuurlijk niet, daar ik het niet gezien heb en in deze kwestie veel vervalst is, het is echter, weet God, zeer waarschijnlijk!

Ik leg Uwer Excellentie thans deze verklaring af in antwoord op het zo zware verwijt, dat ik Uwe Excellentie in de gehele aangelegenheid misleid heb en dat Uwe Excellentie in de weigering van deze verklaring een opzettelijke onwaarheid en niet eervolle handeling zou moeten zien! Ik moet openhartig bekennen, dat zulk een ernstig verwijt en zulke harde eisen nog nooit in mijn leven tegen mij zijn uitgesproken!

Aangezien Uwe Excellentie schrijft, dat Uwe Excellentie de verdediging eventueel van deze verklaring onder de roos op de hoogte wil brengen, kan ik echter de verantwoordelijkheid voor de gevolgen, die het bekend worden van deze mijn verklaring, die ik zonder toestemming mijner meerderen afleg, zou kunnen hebben, niet aanvaarden en ik verzoek Uwe Excellentie zeer gehoorzaam eventueel te willen verklaren, dat Uwe Excellentie deze verklaring uitdrukkelijk van mij verlangd heeft.

Ik heb Uwe Excellentie nooit opzettelijk misleid, ik heb indertijd veel verzwegen, maar ik heb nooit de gedachte kunnen laten opkomen, dat ik opzettelijk onwaarheid zou willen spreken of oneervol handelen! Ik heb Uwe Excellentie indertijd de volle waarheid gezegd. De zware verwijten van Uwe Excellentie heb ik dus, geloof ik, niet verdiend en zij hebben mij daardoor des te pijnlijker getroffen. Uwe Excellentie heeft aan mijn hoge verering en dankbaarheid nooit kunnen twijfelen, en ik zal die Uwe Excellentie blijven toedragen, wat er ook moge gebeuren.

Met de verzekering mijner buitengewone hoogachting en verering, heb ik de eer te zijn

van Uwe Excellentie

de gehoorzame

von Schwartzkoppen

 

terug