Verklaring van Picquart voor de Strafkamer van het Hof van Cassatie, 1898

Op 1 juli 1895 nam ik officieel de leiding van de inlichtingendienst over. Direkt op de eerste dag zei generaal de Boisdeffre tegen mij: "De affaire Dreyfus is nog niet afgesloten; deze begint pas." Hij moedigde mij aan de dossiers aan te vullen, terwijl ik naspeuringen op bepaalde punten moest verrichten die tot dan toe geheel onopgehelderd waren gebleven. Deze punten hadden betrekking op de motieven die Dreyfus tot het verraad hadden kunnen brengen.

Ik weet niet meer precies, wanneer ik deze naspeuringen ben begonnen. Het moet echter spoedig zijn geweest nadat ik de leiding van de inlichtingendienst over had genomen. Ik was toentertijd van de schuld van kapitein Dreyfus overtuigd - geenszins vanwege de beraadslagingen van de Krijgsraad die ik had bijgewoond en waarvan ik de waardeloosheid aanvoelde, maar omdat ik stellig geloofde in het geheime dossierstuk. [...]

Ik kom nu tot het onderhoud dat ik op 15 september 1896 met Generaal Gonse in zijn bureau had en dat ik in mijn memorandum aan de minister van Justitie heb weergegeven. Generaal Gonse bestrijd mijn voorstelling van zaken en ik houdt deze zonder meer overeind. De generaal heeft mij wel degelijk gezegd toen hij over de affaire Esterhazy sprak: "Als U niets zegt, dan zal niemand daar iets van weten", en ik heb hem wel degelijk geantwoord: "Monsieur le Général, wat U zegt is afschuwelijk; ik weet niet wat ik doen zal, maar ik neem dit geheim niet mee het graf in."

 

terug