Generaal Mercier voor de strafkamer van het Hof van Cassatie, 26 maart 1904

De Procureur-Generaal (PG): U heeft ter versterking van de documenten die aan de Parijse Krijgsraad meegedeeld werden, een commentaar laten opstellen [...]?

Mercier: Ja.

PG: Wie heeft dit opgesteld?

Mercier: Kolonel du Paty de Clam heeft het geschreven.

PG: Wist U precies wat het inhield?

Mercier: Niet precies, maar ongeveer.

PG: Hoeveel exemplaren zijn daarvan gemaakt?

Mercier: Er mocht slechts een exemplaar gemaakt worden.

PG: Er waren er meerdere.

Mercier: Weet ik wel, te meer ik het in mijn verklaring heb vermeld. Toen men mij het exemplaar van het commentaar, dat aan de Krijgsraad was voorgelegd, terugbracht - en de vier documenten -, heb ik alles aan kolonel Sandherr overgedragen en hem gezegd: "Legt U de documenten in de brandkast in de dossiers waartoe zij behoren." Wat het commentaar betreft, dat heb ik in het vuur gegooid en de kolonel gezegd: "Ik wil niet dat er een van spoor van over blijft."

PG: Hoe heeft U een officieel document in het vuur kunnen gooien?

Mercier: Neen, niet officieel!

PG: Officieel op grond van het feit dat het van U, van de minister van Oorlog, afkomstig was.

Mercier: Integendeel, het is voor mij persoonlijk opgesteld.

PG: Een ogenblik, Generaal, het is voor U opgesteld, goed, maar toen het er was en door U aan de rechters werd meegedeeld, kreeg het daardoor het karakter van een officieel document.

Mercier: Nee, niet officieel, omdat het geen deel van het proces was. Het is, integendeel, officieus meegedeeld.

PG: Niet officieus, maar officieel, want - als ik mij niet vergis -, was het niet de heer Mercier die de heer Maurel gestuurd heeft, maar Generaal Mercier, de minister van Oorlog, die aan de president van de Krijgsraad heeft geschreven toen hij hem de documenten liet voorleggen, waardoor hij er nota van nam. Is dat de gang van zaken geweest?

Mercier: Ja.

PG: Welnu, U geloofde het recht te hebben dat U, de minister van Oorlog, een document van dien aard onder die omstandigheden mocht vernietigen?

Mercier: Ja, dat is mijn mening.

PG: Goed, we zullen zien. Op dit punt ben ik bereid U te volgen. Ik geloof dat U een zeer ernstige daad heeft gepleegd.

Mercier: Dat is niet meer de kwestie.

PG: Pardon, dat is zeer wel nog de kwestie.

Mercier: De kwestie van 1894 is niet meer die U moet bewijzen.

PG: Ik vraag U pardon, deze is nog wel juist die nu nog een rol speelt, want het gaat nog steeds er om te weten of Dreyfus onschuldig of schuldig was, of hij op onwettige of wettige wijze veroordeeld werd, en het komt steeds weer op het zelfde punt terug, wat U ook zegt of doet. De kwestie van de Parijse veroordeling is nog steeds van betekenis want door deze niet te weerspreken, heeft men zich er toe laten brengen in Rennes opnieuw een veroordeling uit te spreken.

Mercier: Dat is een ontoelaatbare interpretatie. Als rechters oordelen [...]

PG: U discussieert.

Mercier: Als rechters oordelen, volgen zij hun geweten.

PG: Zeker, daar twijfel ik niet aan. Heeft U van het commentaar helemaal niets bewaard?

Mercier: Nee, niets.

PG: Ook niet door iemand anders laten bewaren?

Mercier: Integendeel, ik gaf zelfs de stille wenk niets te bewaren omdat ik het commentaar vernietigde.

PG: Kolonel du Paty de Clam heeft een ontwerp van de aantekening bewaard.

Mercier: Hij heeft het mij verteld.

PG: Hij heeft het aan ons overhandigd: tenminste hij heeft ons een afschrift gegeven en bovendien beloofd ook het origineel te overleggen. U begrijpt wat ik wil zeggen: een ontwerp, dat hij samen met kolonel Sandherr heeft geschreven. Kent U dit commentaar?

Mercier: Kolonel du Paty de Clam heeft mij verzocht, hem te ontheffen van het beroepsgeheim en hem toestemming te geven U dit commentaar te mogen overleggen. Ik heb hem de toestemming gegeven.

terug