Verzoekschrift van Lucie Dreyfus aan de Kamer van Afgevaardigden, 18 september 1896

Messieurs les Députés,

De krant L'Éclair heeft in de editie van 15 september welke op maandagochtend uitkwam, bekend gemaakt dat er - elke tegenspraak wantrouwend - bewijsmateriaal bestaat dat onweerlegbaar de schuld van mijn echtgenoot aangeeft, dat dit bewijs in handen van de minister van oorlog was, die het tijdens de beraadslagingen vertrouwelijk ter hand heeft gesteld aan de rechters van de Krijgsraad, dat dit bewijs mede heeft geleid tot de veroordeling zonder dat de beklaagde noch zijn verdediger er van kennis hebben gehad.

Ik weigerde een dergelijk feit te erkennen en ik verwachtte een ontkenning die het officiële persagentschap Havas bij elk nieuw vals bericht doet uitgaan zelfs als het van minder belang is als dit.

Het dementi is niet gekomen. Het is dus waar dat na in grootste geheimzinnigheid gehulde debatten achter gesloten deuren een Frans officier door een Krijgsraad veroordeeld is op grond van een beschuldiging buiten medeweten van de beklaagde om en welke hij noch zijn verdediger vervolgens hebben kunnen weerleggen. [...]

Het is vandaag mijn plicht de stilte te doorbreken en zonder commentaar of verwijten richt ik mij tot U, Messieurs les Députés, de enige macht waar ik nog mijn toevlucht kan zoeken en bij wie ik aandring op rechtvaardigheid

 

 

terug