Dreyfus aan Demange, 31 december 1894new.gif (26193 bytes)

Vandaag, maandag 31 december 1894 om half vijf 's avonds na de afwijzing van mijn beroep kwam Majoor du Paty bij me om in naam van de minister te vragen of ik niet misschien het slachtoffer geworden was van een gebrek aan voorzichtigheid en of ik niet eenvoudig had willen aanknopen en zo in een dwangsituatie terecht was gekomen.

Ik antwoordde hem dat ik nooit met een agent of een attaché van een vreemde mogendheid in contact heb gestaan [...]

Ik hem toen gevraagd waarom men niet sinds februari de officieren in de gaten heeft laten houden omdat Majoor Henry heeft beweerd dat hij rond die tijd gewaarschuwd werd voor een verrader onder de officieren [...]

De majoor antwoordde mij dat hij daarvan niets wist en dat het niet zijn maar Majoor Henry's zaak was. Dan omdat hij voelde te veel gezegd te hebben, voegde hij er aan toe; "We spreken tussen vier muren en indien men mij zou ondervragen, zal ik alles ontkennen."

Hij sprak met me vervolgens over het zo opmerkelijke rapport van Bertillon, waarin ik mijn eigen handschrift en dat van mijn broer vervalst moet hebben om in geval van mijn arrestatie - met in mijn tas de brief -, voor te kunnen geven dat men een complot tegen mij op touw heeft gezet!!!

Hij maakte mij duidelijk dat mijn vrouw en mijn familie mijn handlangers zouden zijn, kortom hij diste mij de hele theorie van Bertillon op [...]

"Indien u werkelijk onschuldig bent", riep hij toen uit, "dan moet u het verschikkelijkste martelaarschap uit de geschiedenis verdragen."

"Ik ben deze martelaar, " antwoordde ik, "en ik hoop dat de toekomst het u bewijzen zal[...]"


 

terug