Reinach, Joseph, 30 september 1856 - 18 april 1921

Toen Dreyfus veroordeeld werd, waren er slechts weinigen die in zijn onschuld geloofden. Er waren slechts enkele witte raven onder de parlementariërs. Eén van diegenen die gerede twijfel koesterden tegen de legerleiding en de minister van oorlog was Joseph Reinach. Maar in 1895 ging men al spoedig in het parlement over tot de orde van de dag en verdween de kwestie Dreyfus geheel naar de achtergrond. Reinach raakt via zijn vriend maître Demange - advocaat van Dreyfus - betrokken bij de affaire. Hij was er van overtuigd dat alleen een goed afgestemde campagne gericht tegen degenen die Alfred schuldig hadden bevonden, maar niet tegen de overheidsinstellingen van de Republiek, Dreyfus zou kunnen bevrijden.

In zijn lange carriëre zette Reinach zich steeds opnieuw in voor de verworvenheden van de Republiek. Hij was o.a. secretaris van Gambetta, fel tegenstander van Boulanger en tussen 1889 en 1898 lid van het Huis van Afgevaardigden. Hij diende tal van hervormingsvoorstellen in ter de afschaffing van openbare terechtstellingen, de uitbreiding van de persvrijheid en het tegen gaan van politieke corruptie.

Ter verdediging van zijn politieke ideeën moest hij zelfs dertien keer in duel treden met één van zijn tegenstanders. Tot tweemaal toe kruiste hij de wapens met de antisemiet Paul Déroulède.

In 1894 probeerde hij tijdens de gesloten zitting van de Krijgsraad een openbaar debat over de zaak Dreyfus te verkrijgen. Samen met de protestantse senator uit de Elzas Scheurer-Kestner spant hij zich in om in 1897 herziening van het vonnis te verkrijgen. In artikelen in Le Siècle ontmaskert hij publiekelijk majoor Henry als vervalser van voor Dreyfus belastende documenten. Esterhazy wordt door Reinach aangewezen als de ware schuldige. Juist deze artikelen maken hem tot de 'bête noire' van de tegenstanders van herziening van het vonnnis tegen Dreyfus. Dat zijn oom en schoonvader de joodse bankier baron Jacques de Reinach zeer nauw betrokken was bij het Panamaschandaal, maakte het voor zijn tegenstanders extra aantrekkelijk om hun pijlen op Joseph te richten.

Door de meest welsprekende onder hen, de katholieke ex-militair De Mun werd Joseph Reinach gezien als het kwade genius achter het 'syndicaat'. Dit syndicaat was een hersenspinsel van de antisemitische pers. Het syndicaat zou een geheim genootschap van joden zijn, dat iedereen grof geld zou betalen die zich wilde uitspreken voor herziening van het vonnis. Voor spotprenttekenaars was het syndicaat een dankbaar onderwerp, waarbij vooral Forain het gemunt had op Reinach. In de ogen van de tegenstanders groeide het syndicaat uit tot een monsterlijke samenzwering van niet alleen joden, maar ook vrijmetselaars, protestanten, socialisten buitenlanders en alle andere tegenstanders van Frankrijk.1

De parlementaire carriëre van Reinach raakt door de affaire zelfs enige tijd onderbroken, maar dit belet Reinach niet om zich met al zijn middelen in te zetten voor Dreyfus. Nadat Dreyfus gratie was verleend, verzamelt hij allerlei documenten en getuigenissen over de affaire. In zeven delen publiceert hij tussen 1901 en 1911 Histoire de l'Affaire. In 1906 herovert hij zijn zetel in het parlement.

1. Tuchman, B., De Trotse Toren. Een portret van de wereld in de jaren 1890-1914. Antwerpen - Utrecht, 1966. p. 233.-


terug