Brieven van Plinius en Trajanus over de christenen

Plinius de Jonge aan Trajanus

‘Het is mijn gewoonte, Heer, alle problemen waar ik niet uit kom, aan u voor te leggen. Want wie kan mij beter dan u goede raad geven?

Ik weet niet wanneer christenen gestraft moeten worden en hoe zwaar die straffen moeten zijn. Ook heb ik mij ernstig afgevraagd of ik in bepaalde gevallen onderscheid moet maken. Moet ik rekening houden met de leeftijd, of moeten jeugdigen gelijkgesteld worden met volwassenen? Moet ik christenen die berouw tonen, genade schenken? Moet ik mensen straffen, alleen omdat ze christenen zijn, of vanwege de misdrijven die ze begaan?

Voorlopig heb ik tegenover de christenen die bij mij werden aangebracht, het volgende gedaan. Ik heb hun gevraagd of ze christenen waren. Als ze dat toegaven, heb ik hun onder bedreiging met de doodstraf, een tweede en zelfs een derde maal dezelfde vraag gesteld. Wie ja bleef zeggen, heb ik laten terechtstellen. Ik vond namelijk dat halsstarrigheid zonder meer moest worden bestraft, afgezien van de inhoud van hun geloof. Romeinse burgers die zich even dwaas aanstelden, heb ik op de lijst gezet voor transport naar Rome.

Door mijn onderzoek nam het aantal gevallen toe. Ik kreeg van iemand die onbekend wilde blijven, een lijst met veel namen van christenen. Sommigen ontkenden dat ze christen waren. Ik heb hun gevraagd de goden aan te roepen, wierook en wijn aan uw beeltenis te offeren en de naam van Christus te vervloeken. Als ze dat deden, heb ik hen weer naar huis laten gaan. Men zegt dat echte christenen zich nooit tot zoiets zullen laten dwingen. Anderen zeiden eerst dat ze christen waren, maar ontkenden het later. Ook zij hebben allemaal uw beeld en de beelden van de goden aanbeden en Christus vervloekt. Zij verklaarden dat ze vroeger christenen waren geweest. Hun fouten kwamen hier op neer, dat zij gewend waren op een vaste dag voor zonsopgang bij elkaar te komen. Zij zongen dan liederen, waarin Christus als God vereerd werd. Ze beloofden plechtig dat ze niet zouden stelen, moorden, echtbreuk plegen of hun woord van trouw breken. Daarna gingen ze uiteen en kwamen weer bij elkaar voor een eenvoudige maaltijd. Met dit alles waren ze opgehouden, nadat ik uw opdracht had uitgevoerd en een verbod op alle verenigingen had uitgevaardigd.

Dat was alles wat ze bekenden. Daarom zag ik mij gedwongen twee slavinnen op de pijnbank te leggen en zo naar de waarheid te vragen. Ik vond niets anders dan een verkeerd en overdreven bijgeloof.

Daarom heb ik een verder onderzoek uitgesteld om u te raadplegen. Dat lijkt mij nodig, vooral wegens het grote aantal: mensen van alle leeftijden, uit alle lagen van de bevolking, mannen en vrouwen, worden beschuldigd en dat gaat zo maar door. Niet alleen de steden maar ook het platteland is met dit bijgeloof besmet. Toch geloof ik dat deze beweging gestuit en teruggedrongen kan worden. In elk geval staat het vast, dat tempels die bijna verlaten waren, weer worden bezocht, dat oude erediensten weer worden hervat en dat er weer vee geofferd wordt. Hieruit kan men afleiden, dat veel mensen van hun dwaling kunnen worden teruggebracht.’

Trajanus aan Plinius

‘U hebt, mijn waarde Plinius, op de juiste manier gehandeld tegenover hen die als christenen bij u waren gebracht. Want het is niet mogelijk hiervoor algemene en duidelijke regels vast te stellen. De christenen moeten niet worden opgespoord. Als zij worden aangebracht en schuldig bevonden, moeten zij worden gestraft. Maar wie ontkent christen te zijn en dat aantoont door onze goden te aanbidden, moet door zijn berouw vergiffenis krijgen. Lijsten van onbekenden echter mogen bij geen enkele aanklacht een rol spelen. Dat zou een zeer slecht voorbeeld zijn en niet iets van onze tijd.

 

Copyright ©2001 M. Kropman. Alle rechten voorbehouden.
Laatst bijgewerkt: 27 december 2009