Edward Gibbon in zijn History of the Decline and Fall of the Roman Empire over het succes van het Christendom


De christenen hadden een intolerante ijver, dreigden met eeuwige folteringen, banden duivels uit met ontzagwekkende ceremonie, leefden een vroom en afgezonderd bestaan waarvan de tekortkomingen of liever gezegd dwalingen, uit een overdaad aan deugdzaamheid voortkwamen, en schiepen een kerkorganisatie waarin men een positie van gezag en autoriteit kon verwerven. [...] Bovendien, [...] had de menselijke rede [...] omstreeks de derde eeuw reeds een gemakkelijke overwinning behaald op de dwaasheid van het heidendom. [...] De teloorgang van de oude vooroordelen stelde een groot deel van het menselijk ras bloot aan het gevaar van een pijnlijke en troosteloze situatie [...] De mensen waren bijna bevrijd van hun kunstmatige vooroordelen, maar even ontvankelijk voor en begerig naar een devote toewijding. [...] In plaats van met verbazing de snelle opkomst van het christendom gade te slaan, zullen diegenen die misschien geneigd zijn op deze gedachte voort te borduren, zich er wellicht over verbazen dat het christendom niet veel sneller succes heeft gekregen en geen grotere verbreiding heeft gekend.

uit: Manen, v. I. (e.a.), Historia. Geschiedenis & Staatsinrichting voor de bovenbouw HAVO-VWO. Werkboek VWO. Amsterdam, 1994. p. 20.

Copyright 2001 M. Kropman. Alle rechten voorbehouden.
Laatst bijgewerkt: 27 december 2009