Cyprianus, Epistula 81

Deze brief schreef Cyprianus vanuit een schuilplaats. Hij heeft zich tijdelijk teruggetrokken voor de Romeinse gerechtsdienaren die hem naar Utica willen brengen om hem aldaar terecht te stellen. Hij wil de terugkeer van de keizerlijke gouverneur afwachten en van hem zelf de keizerlijke verordeningen vernemen. Als die tot zijn dood moeten leiden, dan wil hij in zijn eigen bisdom temidden van zijn gelovigen de marteldood sterven. Dit is de laatste brief die hij heeft geschreven: kort na het schrijven sterft hij, op 14 september 258.

Cyprianus groet de priesters, diakens en het hele volk van gelovigen. Toen mij was bericht, zeer dierbare broeders, dat er detectives waren gezonden om mij naar Utica over te brengen en ik door het advies van zeer dierbaren was overreed om mij tijdelijk uit mijn landgoed terug te trekker, heb ik ermee ingestemd omdat er een terechte reden bij kwam, nl. omdat het past dat een bisschop in die stad, waarin hij aan het hoofd van de kerk van de Heer staat, daar het geloof in de Heer belijdt en heel het volk van gelovigen met de marteldood van de aanwezige leider verheerlijkt. Want wet den ook de belijdende bisschop juist op het moment van zijn marteldood zegt op ingeving van God, spreekt hij in naam van allen. Overigens zal de eer van onze zo roemrijke gemeente aan het wankelen gebracht worden, als ik als bisschop aan het hoofd gesteld van een andere kerk, na in Utica het vonnis wegens mijn belijdenis te hebben ontvangen, vandaar als martelaar nar de Heer vertrek, aangezien ik en voor mij en voor jullie met voortdurende gebeden smeek en met alle gebeden vurig verlang en het voor mij noodzakelijk is, dat ik bij jullie het geloof belijd en de marteldood sterf en vandaar nar de Heer vertrek. Wij wachten hier dus, ons bevindend in een verborgen schuiloord, de komst van de gouverneur, wanneer hij naar Carthago terugkeert, af, om van hem te horen wet de keizers hem hebben opgedragen ten aanzien van leken-christenen en bisschoppen, en om op dat moment te zeggen wet de Heer wil dat er gezegd wordt. Jullie echter, zeer dierbare broeders, in overeenstemming met de leer, die jullie altijd van mij hebben ontvangen over de bevelen van de Heer en volgens dat wet jullie zeer vaak hebben geleerd als ik het behandelde, bewaart de rust en de vrede, en kent niemand van jullie een actie tegen zijn broeders opwekken of zich spontaan aan de heidenen overgeven. Want als je gevangengenomen wordt en uitgeleverd, moet je spreken, immers God in ons geplaatst zal op dat moment spreken, die liever wil dat wij het geloof belijden dan ons uit eigen beweging aanbieden. Wat ons echter voor het overige past in acht te nemen voordat de gouverneur een oordeel over mij velt wegens mijn belijdenis van Gods naam, dat zullen wij ter plekke beslissen op inspiratie van de Heer. Moge de Heer Jezus ervoor zorgen, zeer dierbare broeders, dat jullie ongedeerd in zijn kerk blijven en moge hij jullie willen redden.


Laatst bijgewerkt: 07 maart 2005