Acta Sancti Cypriani

In de acta worden twee processen tegen Cyprianus beschreven. In caput 1 wordt het eerste proces beschreven,dat plaatsvindt op 30 augustus 257 en onder leiding staat van proconsul Aspasius Paternus. Dit proces resulteert in zijn verbanning naar Curubis (een plaats in Noord-Afrika, niet ver van Carthago).
In caput 2-4 wordt het tweede proces beschreven, dat plaatsvindt op 14 spetember 258 en onder leiding staat van proconsul Galerius Maximus. Deze veroordeelt Cyprianus tot de marteldood.

Caput 1

Onder de keizers Valerianus, voor de vierde keer consul, en Gallienus, voor de derde keer consul, op 30 augustus te Carthago zei proconsul Paternus in de verhoorzaal tegen bisschop Cyprianus: ‘De zeer verheven keizers Valerianus en Gallienus hebben de goedheid getoond mij brieven te sturen, waarin zij hebben voorgeschreven dat zij, die de Romeinse religie niet aanhangen, de Romeinse offergebruiken moeten erkennen. Ik heb een onderzoek ingesteld naar jouw persoon; wat antwoord je mij?’ 
Bisschop Cyprianus zei: ‘Ik ben christen en bisschop. Ik ken geen andere goden, behalve de ene en ware God, die hemel en aarde gemaakt heeft, de zee en alles wet daarin is. Deze God dienen wij christenen. Deze aanbidden wij dag en nacht voor onszelf en voor alle mensen en voor het welzijn van juist de keizers.’ 
Proconsul Paternus zei: ‘En in deze wil volhard jij?’ 
Bisschop Cyprianus zei: ‘De goede wil, die God kent, kan niet veranderd worden.’ 
Proconsul Paternus zei: ‘Kun jij dus volgens het bevel van Valerianus en Gallienus als balling naar de stad Curubis vertrekken?’ 
Bisschop Cyprianus zei: ‘Ik vertrek.’ 
Proconsul Paternus zei: ‘Zij hebben de goedheid getoond om mij niet alleen over bisschoppen, maar ook over priesters te schrijven. Ik wil dus van jou weten, wie de priesters zijn, die er in die stad zijn.’ 
Bisschop Cyprianus zei: ‘In jullie wetten hebben jullie goed en nuttig geoordeeld dat er geen aanbrengers mogen zijn; dus kunnen ze door mij niet aangebracht worden; ze kunnen in hun eigen steden, gevonden worden. En omdat onze leer het verbiedt, dat iemand zich uit eigen beweging aangeeft, en omdat dat ook niet past bij uw oordeel, kunnen zij zichzelf niet aangeven, maar zullen zij door u, als u hen zoekt, gevonden worden.’ 
Proconsul Paternus zei: ‘Ik zal vandaag nog een onderzoek naar dit gezelschap instellen.’ 
Bisschop Cyprianus zei: ‘Als u hen zoekt, zullen ze zelf door u gevonden worden.’ 
Proconsul Paternus zei: ‘Ze zullen door mij gevonden worden.’ En hij voegde eraan toe: ‘Zij hebben ook voorgeschreven dat ze op geen enkele plaats bijeenkomsten houden, noch begraafplaatsen betreden. Als iemand dus dit zo heilzame voorschrift niet in acht neemt, wordt hij met de doodstraf bestraft.’ 
Bisschop Cyprianus zei: ‘U heeft het voorgeschreven.’

Caput 2

Toen Cyprianus, de heilige martelaar, door God uitgekozen, uit de stad Curubis, waarheen hij verbannen was op grond van het bevel van zijne excellentie Aspasius Paternus, toen proconsul, was teruggekeerd op grond van dit heilige keizerlijke bevelschrift, speciaal en persoonlijk uitgevaardigd, verbleef hij op zijn landgoed, en hoopte van dag tot dag dat men op elk uur zou komen, zoals hem getoond was. Toen die daar verbleef, kwamen plotseling tijdens het consulaat van Tuscus en Bassus twee onderofficieren naar hem toe, een uit het ambtenarenkorps van zijn excellentie proconsul Galerius Maximus, die Aspasius Paternus was opgevolgd, de ander een onderofficier van de bereden wacht, van het ambtenarenkorps van dezelfde excellentie, en zij plaatsten hem op een kar en beiden begeleidden hem en brachten hem naar het landgoed van Sextus, waar dezelfde proconsul Galerius Maximus zich had teruggetrokken om een goede gezondheid terug te krijgen, en deze excellentie proconsul Galerius Maximus beval dat die Cyprianus een andere dag, dit is de volgende dag, bij hem werd voorgeleid. En zo trok die Cyprianus zich terug met de onderofficier, nl. die van de bereden wacht, van het ambtenarenkorps van zijne excellentie proconsul Maximus en verbleef met hem in diens woning in de Saturnusstraat, tussen de temper van Venus en die van Salus. Daar verbleef voor de deur het gehele volk van geloofsbroeders; en toen Cyprianus dit had vernomen, beval hij de meisjes een berisping te geven, omdat in de straat allen voor de deur van de woning van de onderofficier lagen.

Caput 3

En zo op de andere dag, dit is 14 september, is hij ‘s ochtends meteen op het landgoed van Sextus voorgeleid, volgens het bevel van zijne excellentie proconsul Galerius Maximus, die in het atrium zat, omhuld met een mantel en licht gewond. 
En nadat die was voorgeleid zei zijne excellentie proconsul Galerius Maximus tot Cyprianus: ‘Jij bent Tascius Cyprianus?’ 
Cyprianus zei: ‘Dat ben ik.’ 
Zijne excellentie proconsul Galerius Maximus zei tot Cyprianus: ‘Heb jij je als leider van een heiligschennend geloof aan de mensen betoond?’ 
Cyprianus zei: ‘Dat heb ik.’ 
Zijne excellentie proconsul Galerius Maximus sprak, nadat hij met zijn adviesraad had gesproken, met moeite en zwak het vonnis uit met dergelijke woorden: ‘Lange tijd heb jij met een heiligschennende geest geleefd, en je hebt voor jezelf zeer vele mensen bij de kudde van een goddeloze samenzwering gevoegd, en je hebt je als vijand opgesteld tegenover de Romeinse goden en de heilige religie, en de vrome en zeer heilige keizers van ons, Valerianus en Gallienus, Augusti, en Valerianus, de zeer edele Caesar, konden jou in zo lange tijd niet terugroepen vanwege jouw volhardende razernij tot de offers ten behoeve van zeer gelukkige tijden voor hen en tot het verrichten van offerplechtigheden en tot het hebben van een goede gezindheid. En daarom, omdat jij als aanstichter en leider van een zeer slechte misdaad gevangengenomen bent, en omdat jij op vijandige wijze hebt afgeweken van de Romeinse geest met hen ook, die jij door jouw misdaad als voorbeeld hebt onderricht, en aangezien de heiligschennende schande door jouw aanstichting heeft voortgeduurd, zal de orde gehandhaafd worden door jouw bloed.’ 
En hij las het besluit vanaf een schrijftafeltje voor: ‘Men besluit Tascius Cyprianus met het zwaard te bestraffen.’

Caput 4

Na diens vonnis zei het volk van geloofsbroeders: ‘En mogen ook wij met hem onthoofd worden.’ Hierdoor ontstond een rumoer onder de geloofsbroeders, en een grote menigte is hem gevolgd. En zo is die Cyprianus naar de akker van Sextus geleid; en daar ontdeed hij zich van zijn mantel en spreidde die op de grond uit, om daarop neer te knielen; en zo ontdeed hij zich van zijn kleed met range mouwen en gaf het aan de diakens, en stond in zijn onderkleding; en hij begon de beul af te wachten. En toen de beul was gekomen, beval hij de zijnen om aan die beul 25 goudstukken te geven. Linnen doeken en handdoeken werden door de geloofsbroeders voor zijn voeten geworpen; en zo bedekte Cyprianus zijn ogen met zijn hand; en toen hij de windsels om zijn hand niet zelf kon vastbinden, bonden de priester Iulianus en de subdiaken Iulianus die voor hem vast. En zo stierf Cyprianus de marteldood, en is zijn lichaam, om het te beschermen tegen de nieuwsgierigheid van de heidenen, in de nabijheid opgebaard.

‘s Nachts is echter zijn lichaam vandaar opgetild en weggedragen onder begeleiding van waskaarsen en toortsen naar de begraafplaats van de bestuurder Macrobius Candidatus, die ligt aan de Via Mappaliensis vlakbij het waterbekken, met gebed en grote eerbewijzen. Evenwel na enkele dagen overleed proconsul Galerius Maximus.


Laatst bijgewerkt: 27 december 2009